Kort geding over salarisverlaging door corona
28 mei 2020, Rechtbank Amsterdam, zaak 8482525
De eigenaar van een Turkse broodjeszaak in Amsterdam die als gevolg van de coronacrisis te weinig geld had om alle salarissen te betalen, mocht de betaling van de lonen niet voor de helft opschorten, omdat de werkgever daarover niet eerst met de werknemers had overlegd. De kantonrechter oordeelde in een kort geding dat opschorting te ver ging.
De rechter acht het aannemelijk dat de werkgever in een onvoorziene bedrijfseconomische noodsituatie is geraakt. Volgens de kantonrechter heeft de werkgever daarmee een zwaarwichtig belang dat met zich meebrengt dat van de werknemers verlangd kan worden om (in overleg) bepaalde arbeidsrechtelijke aanspraken op te schorten, of zelfs helemaal op te geven. Dit vloeit wordt uit het beginsel van goed werkgeverschap.
Desondanks wijst de kantonrechter de eis van de werknemers om het volledige salaris door te blijven betalen toe, omdat het besluit tot inhouding van 50% van het salaris eenzijdig en zonder nader overleg is genomen. Bovendien zou een verlaging van 50% van het salaris een te grote achteruitgang in inkomen voor de werknemers betekenen. Na belangenafweging is de kantonrechter van mening dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verlangd kan worden dat de werknemer over meerdere maanden met opschorting van de betaling van 50% van zijn salaris instemt, mede omdat niet vaststaat wanneer de betalingsachterstand kan worden ingelopen.
Geconcludeerd kan worden gesteld dat een (eenzijdige) salarisverlaging mogelijk is, maar dit niet te veel mag ingrijpen in de belangen van een werknemer. Een kortingspercentage van 50% wordt te hoog geacht. Een percentage van 10 a 20% wordt al een stuk realistischer. Daarbij kan uit het vonnis worden afgeleid dat voorafgaand overleg in de meeste gevallen een vereiste is.

